Home

Egle (Robineau-Desvoidy, 1830)


Europese Soorten:
Rood = bekend in Nederland

Egle anderssoni Michelsen 2009
Egle atomaria (Zetterstedt 1845)
Egle brevicornis (Zetterstedt 1838)
Egle ciliata (Walker 1849)
Egle concomitans (Pandelle 1900)
Egle ignobilis Michelsen 2009
Egle inermis Ackland 1970
Egle inermoides Michelsen 2009
Egle lyneborgi Ackland & Griffiths in Griffiths 2003
Egle minuta (Meigen 1826)
Egle myricariae Grossmann 1998
Egle parva Robineau-Desvoidy 1830
Egle parvaeformis Schnabl in Schnabl & Dziedzicki 1911
Egle pilitibia (Ringdahl 1918)
Egle rhinotmeta (Pandelle 1900)
Egle steini Schnabl in Schnabl & Dziedzicki 1911
Egle subarctica (Huckett 1965)
Egle suwai Michelsen 2009

Egle artikel

 

Egle soorten zijn vooral in het voorjaar actief wanneer de mannelijke wilgenbomen in de bloei staan.

Ze zijn dan ook van deze bomen afhankelijk voor hun voortplanting, doordat de vrouwtjes hun eieren leggen op de zaaddozen van de vrouwelijke bomen.

Het op naam brengen van de meeste soorten wordt bemoeilijkt door hun vaak zeer kleine grootte en in de meeste gevallen is dan ook noodzakelijk om de mannelijke genitaliën te bekijken om tot een zekere determinatie te kunnen komen.

Er zijn wat grotere soorten, die van een foto af nog enigszins te doen zijn, waarvan de Egle ciliata (Walker) een hele bekende is, maar bij de overige soorten zal dit niet of nauwelijks mogelijk zijn omdat de uiterlijke verschillen niet meer herkenbaar zijn op foto’s en of nauwelijks van elkaar verschillen.

Bijna alle soorten spelen een grote rol in de bestuiving van de wilgenbomen, maar er is één soort die daarin afwijkt; Egle concomitans (Pandellé)

Deze soort is hoofdzakelijk te vinden op populierenbomen (witte abeel) en deze bomensoort is niet afhankelijk van bestuiving door insecten, maar door bestuiving van de wind.

Door de overeenkomsten in de opbouw van de genitaliën is deze soort geplaatst in het geslacht Egle, maar met toch enige twijfel, waardoor misschien toekomstig onderzoek (DNA) hier wat meer duidelijkheid in kan verschaffen of deze soort wel thuis hoort in het geslacht Egle.

Ik geef via foto’s een beeld van deze kleine vliegjes.

Tevens zal ik aan de hand van tekeningen de opbouw van de genitaliën laten zien en wat verschillen tussen soorten.

Middels een door mij geschreven artikel over deze vliegen in Entomologische Berichten (EB) kunt u meer te weten komen over de verschillen tussen de soorten, biologie en verspreiding in Nederland. (zie zijkant)

 

Anthomyiids of the genus Egle are univoltine, with a flight period closely synchronized with the period of flowering and deed development of their hosts. All species apparently have seed-feeding larvae with a narrow host range.

Most Egle species have a relationship with Willow and are specialized pollinators on the male catkins.

An exception is Egle concomitans who is only specialized on Populus!

Most Egle species are active from the very beginning of the season and among the first calyptrate flies to emerge from overwintering puparia.

 

Egle rhinotmeta

Egle subartica Egle rhinotmeta (Pandellé)
Egle steini (Schnabl & Dziedzicki) Egle minuta (Meigen)       foto Dick Belgers
   
   
 
Egle concomitans (Pandellé)  
Head of Egle ciliata; Egle concomitans; Egle rhinotmeta Size of Egle ciliata; Egle concomitans; Egle rhinotmeta
   
Egle concomitans wijkt af doordat de vlieg als enigste binnen het geslacht Egle mineert op Populier en niet op Wilgen.
Qua uiterlijk wijkt deze vlieg ook af, doordat de onderkant van de kop niet vooruit steekt en de monddelen kort zijn.
Dit in tegenstelling tot de andere Egle soorten, waarvan de onderkant van de kop wel sterk vooruit steekt en de monddelen lang en dus zijn.
Egle concomitans differs in both sexes from other Egle species by the short, unspecialized proboscis and lower facial marging less projected.
Other Egle species all have the lower facial marging more or less projected and proboscis more extended.
Also the larvae of E.concomitans are miners of the the seed capsules of the female catkins of Populus unlike the other Egle species who are all miners of seed capsules of Willow!
   
Egle larva Larval mouth hook
Young larva Larva just before going into the ground
   
Enkele eieren worden afgezet op de zaadlobben van de vrouwlijke zaaddozen van de Wilgenbomen, waarna de larve een gat vreet in één van de zaadlobben en zich te goed doet aan de inhoud.
Naarmate de larve groter wordt zal deze de inmiddels ontwikkelde zaadpluizen binnenin de zaaddoos, ook naar buiten werken en zo een warrige kluwe vormt, die tevens als schuilplaats kan dienen voor parasieten en andere vijanden. Door de haakvormige monddelen is de larve in staat om te verhuizen naar de andere zaadlobben, zonder naar beneden te vallen.
Wanneer de larve is volgroeit, zal deze blijven zitten in de zaaddoos en wachten tot de zaaddoos uiteindelijk op de grond valt en de larve zal dan verder in de grond gaan verpoppen, om het volgende voorjaar weer te voorschijn te komen als vlieg.
Upon hatching the young instar larva finds a seed capsule and starts eating a hole through its wall. When the hole is finished, the larva drags out a considerable amount of white hair from the capsule with its mouth hooks, obviously to conceal itself from parasitoids and other enemies. The growing larva repeats this procedure on a nearby, intact capsule. When the whole bunch of seed capsules falls to the ground the larva will go his way further into the ground and pupate, to emerge as fly next spring.



   
   
Egle lyneborgi Egle minuta
Egle parvaeformis Egle rhinotmeta
Egle steini Egle subartica
Egle suwai Egle concomitans
   
Referenties:  Verner Michelsen
Revision of the willow catkin flies, genus Egle Robineau-Desvoidy (Diptera: Anthomyiidae), in Europe and neigbouring areas..